alle artikelen

De VR-bril heeft de harten veroverd. Maar is dat genoeg?

Na de tablet en de onderwijsrobot doet nu ook virtual reality zijn intrede in de klas. En die toepassing komt meestal in de vorm van de VR-bril. Maar wat heeft de bril het onderwijs te bieden en kun je er als docent al direct mee aan de slag? We legden het voor aan Kim Jaspers, adviseur innovatie en digitale geletterdheid bij Qliq Primair, waar ze al langere tijd 25 VR-brillen gebruiken. En wat blijkt? Ze is dolenthousiast. Maar ook kritisch.

Om maar met de deur in huis te vallen: hoe reageren de kinderen op de VR-bril in de klas?

“De kinderen reageren héél enthousiast. We merken dat veel kinderen het spannend vinden om op plekken te komen waar ze nog niet eerder zijn geweest. Met een VR-bril kun je ze kennis laten maken met zo’n onbekende omgeving én ze vooraf duidelijk maken waar ze op moeten letten. “Daarom zouden we heel graag content maken voor de VR-bril, waarmee we bijvoorbeeld een bedrijfsbezoek vorm kunnen geven. We kunnen al een kijkje nemen op Schiphol. Als zij met de VR-bril rond kunnen kijken in een hangar of op een startbaan, dan weet ik zeker dat dat beter beklijft dan wanneer ze alleen naar een plaatje kijken.”

En zijn de collega’s net zo enthousiast als de kinderen?

Absoluut! We zien dat er een run is op de uitleen van de brillen; alles is het hele schooljaar geboekt en in gebruik. Ook de workshops en inspiratiemiddagen die we organiseren zitten helemaal vol. Maar we zien ook dat docenten het nog spannend vinden. Ze hebben lang niet allemaal voldoende ICT-vaardigheden om met de brillen te werken, of hebben hulp nodig om bijvoorbeeld de router aan te sluiten en de omgeving klaar te zetten met de tablets. Ondertussen zijn leerkrachten ook nog wel zoekende naar de toepassing in de klas. En die zoektocht delen wij wel.

Waar richt die zoektocht zich op?

Dat is een zoektocht op vele fronten. Het is soms moeilijk om te bepalen waar de content uit methodes overlap kent met de content van de bril. Dat wordt overigens al makkelijker als scholen thematisch of minder met methodes werken. Dan kun je vooraf bepalen welke onderdelen van een les je via de VRbril aan gaat bieden. Maar we zien bijvoorbeeld ook dat de VR-bril nog niet heel concreet aansluit bij de 21e-eeuwse vaardigheden die steeds belangrijker worden. VR richt zich nog vooral op het geven van een beeld bij bepaalde onderwerpen. En het is dus nog moeilijk voor ons om content te maken, laat staan dat de kinderen dat zelf kunnen.

Kun je al wat zeggen over de leerprestaties?

Wat je nu kunt meten, is of een kind na een virtueel bezoekje aan bijvoorbeeld Schiphol er meer of beter over kan vertellen dan wanneer een kind bijvoorbeeld naar een plaatje in een boek heeft gekeken. Maar naar de echte effecten op leerprestaties, moet meer onderzoek gedaan worden.

Mijn gevoel zegt overigens dat augmented reality (AR) het momenteel nog wint van virtual reality (VR). Ik denk dan aan de Merge Cube, waar je de camera van een telefoon op richt, waarna bijvoorbeeld een hart verschijnt. Dat hart kun je vervolgens van meerdere kanten bekijken, het beeld is scherper, je kunt direct meer informatie krijgen over wat je ziet en niet onbelangrijk, het valt minder snel uit en is goedkoper. AR wint het wat mij betreft nog wel van VR. Maar ik sluit niet uit dat VR succesvoller kan worden. Net als bij andere innovatieve leermiddelen, zoals het Green Screen, moeten mensen nog eerst meer feeling krijgen met de techniek en de mogelijkheden in de klas.

Wat denk je echt nog nodig te hebben om het te gaan laten vliegen?

Kort gezegd staan we nu op het punt: we hebben het getest, we weten hoe het werkt en nu willen we meer. Maar dat kunnen we niet alleen. De hele beleving in de bril moet je momenteel zelf bouwen. En gelukkig hebben we dankzij de Brainportregio (de regio rondom Eindhoven, waar innovatieve toptechnologie wordt gestimuleerd) en het RIZOB (Regioneel ICT-overleg Zuid-Oost Brabant) veel samenwerkingspartners waar we mee kunnen onderzoeken wat er nog verder nodig en mogelijk is. Het komende jaar wordt daarom cruciaal. We moeten als onderwijs in gesprek met partijen die de content kunnen leveren, want wij kunnen lang niet alle content maken die we zouden willen. Dat kost simpelweg teveel tijd en teveel geld. En ook nieuwe en betere spullen dan die we nu hebben, hebben een prijskaartje.